Klaas Dijkstra

Akkerkool
Lapsana communis


Klik op een afbeelding om te vergroten.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

In het kort.

  • Akkerkool of Lapsana communis is een soort uit de Composietenfamilie (Asteraceae).
  • Het is een eenjarige, 30-120 cm hoge plant.
  • Een rechtopstaande, bebladerde, vertakte, vrij licht groene stengel met melksap.
  • De onderste bladen zijn liervormig, in omtrek langwerpig en aan de voet in een steel versmald, met een grote, eironde eindlob met een gelijkmatig bochtig getande of gegolfde rand. De hogere stengelbladen zijn ongedeeld en driehoekig- of lancetvormig-eirond, getand en naar de voet versmald.
  • Akkerkool bloeit meestal van mei t/m augustus.
  • De kleine, 1-2 cm grote, langgsteelde, citroengele bloemhoofdjes groeien in losse pluimen met acht tot vijftien bloemen.
  • De strokleurige, sterk geribde 3-5 mm lange nootjes zijn aan de top afgerond en zonder pappus.
  • Akkerkool groeit op zonnige of licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige, voedselrijke, vaak omgewerkte grond.
  • Groeiplaatsen zijn o.a. lichte plekken in loofbossen, bosranden, struwelen, parken, ruderale plaatsen, braakliggende grond en muren.
  • Akkerkool komt oorspronkelijk uit Europa, West-Azië en Noordwest-Afrika.
  • Bij ons is het een algemeen voorkomende, inheemse plant.

Uitgebreide beschrijving

Frysk Earme simen

English Nipplewort

Français Lampsane commune

Deutsch Gemeiner Rainkohl

Synoniemen Lampsana communis

Familie Asteraceae (Composietenfamilie)

Naamgeving (Etymologie) Lapsana komt van het Griekse Ia(m)psanè, een bij de Oude Grieken bekende moesplant, die zacht purgerend werkte. Het woord staat in verband met lapadzoo (purgeren). Communis betekent gewoon of algemeen voorkomend.

Levensduur Eenjarig.

Plantvorm Therofyt.

Hoofdbloei Mei t/m augustus (-november).

Afmeting 30-120 cm.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Wortels Een penwortel.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Stengels Een rechtopstaande, bebladerde, vertakte, vrij licht groene en meestal verspreid borstelharige, maar naar boven toe kale stengel. De stengel bevat melksap.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Bladeren De onderste bladen zijn liervormig, gedeeld tot geveerd, in omtrek langwerpig en aan de voet in een steel versmald. Ze hebben een grote, eironde eindlob met een gelijkmatig gekromde, bochtig getande tot gegolfde rand. De veel kleinere zijslipjes zijn vaak afgewisseld langer en korter (afgebroken geveerd). De hogere, verspreidstaande stengelbladen zijn ongedeeld en driehoekig- tot lancetvormig-eirond, getand en naar de voet versmald. De bladen zijn gesteeld of steelvormig versmald, maar de bovenste zijn soms zittend. De bladrand is getand. De onderste bladen zijn borstelig behaard, maar naar boven toe neemt de beharing af.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Bloemen Tweeslachtig. De kleine, 1 tot hooguit 2 cm grote en langgsteelde bloemhoofdjes staan in losse, min of meer tuilvormige bloeiwijzen (losse pluimen met acht tot vijftien bloemen). Ze bevatten een klein aantal citroengele lintbloemen (vijf tot vijftien). Elke bloem heeft vijf met elkaar vergroeide meeldraden, een onderstandig vruchtbeginsel en één stijl met twee stempels. De bloemhoofdjesbodem is vlak, zonder stroschubben. De opgerichte, stompe omwindselbladen zijn lijnvormig tot lancetvormig en staan in twee rijen, de binnenste veel langer dan de buitenste.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0

Vruchten en zaden Een eenzadige dopvrucht of nootje. De meestal acht bootvormige, gekielde binnenste omwindselbladen van de vrucht blijven rechtop staan. De strokleurige, sterk geribde (twintig lengteribben) nootjes (3-5 mm lang) zijn aan de top afgerond en zonder pappus. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig.


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


Klaas Dijkstra - cc by-sa 4.0


©2006 Digital Plant Atlas - cc by-nc-sa 3.0 nl

Biotoop

Bodem Zonnige of licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige, voedselrijke tot zeer voedselrijke, losse, humushoudende, zwak zure tot kalkhoudende, vaak omgewerkte grond (vrijwel alle grondsoorten, maar vooral op zand en klei).

Groeiplaatsen Lichte plekken in loofbossen, bosranden, heggen, struwelen, houtwallen, parken, plantsoenen, ruigten, ruderale plaatsen, puinhopen, stortterreinen, braakliggende grond, muren, soms in tuinen en akkers, spoorbermen en kanaalbermen.

Verspreiding

Wereld Oorspronkelijk uit Europa, West-Azië en Noordwest-Afrika.

Nederland Inheems. Algemeen.

België Inheems. Algemeen.

Toepassingen

Medicinaal Bij Pruisische apothekers stond de plant bekend als papillaris (van het Latijnse papilla = tepel). Ze gebruikten de plant bij ontstekingen.

Keuken De jonge scheuten en jonge, malse bladen kunnen worden gegeten als spinazie, worden verwerkt in salades en omeletten of kort roerbakken. De smaak is pittig als radijs. De bladen werken licht laxerend.

Vermeerderen Zaaien (maart-april of september).

Wetenswaardigheden

In het Engels heet de plant Nipplewort (door de vorm van de bloemknoppen). Ook bij ons wordt de plant in sommige streken Tepelkruid genoemd.

2001-2026 K.M. Dijkstra - cc by-sa 4.0